Corona in een Levende Stad

Een levend organisme gedraagt zich naar de wetten van de natuur, of het nou een virus, een mens of een stad betreft. Welke mechanismen treden in werking als je de stad als levend organisme beschouwt en er heerst corona? De richtlijnen van het RIVM hebben gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, groenvoorzieningen, mobiliteit, publieke functies en openbare voorzieningen. En dat betekent dat beleidsmakers en ontwerpers een verantwoordelijkheid hebben en daarbij te maken hebben met een onduidelijk tijdpad.

Gedrag verandert, een levende stad verandert mee
Een Levende Stad ontwikkelt mee met de veranderende behoeften van de mens, zoals beschreven in het boek ‘Levende stad, stad om in te leven’. In coronatijd is er een behoefte, ook al is die opgelegd, aan 1,5 meter afstand tussen individuen. Dit verandert ons gedrag; we ontmoeten elkaar vaker digitaal, werken veel meer thuis, houden balkonsessies, kringgesprekken in parken en plantsoenen.

Dit heeft gevolgen voor de korrelgrootte waarmee de openbare ruimte ontworpen zou moeten worden. Bankjes, abri’s, wachtrijen, de opnamecapaciteit van een park of plein, alle elementen in de openbare ruimte zijn aan de 1,5 meter regel onderhevig. Het aanpassen duurt een tijd; de stad heeft zijn eigen ritme om zich aan te passen. Alleen daar waar op dit moment ontwerpen gemaakt worden, kan of zal deze afgedwongen marge nu al in de vormgeving zichtbaar zijn. Misschien is dit over enkele jaren een relikwie uit een afwijkende periode, misschien is het de start van een nieuw normaal, met permanente invloed op allerlei niveaus in de stedelijke ruimte.

Meer groen in de leefomgeving
Vanuit andere belangen, zoals klimaatadaptatie, gezondheid en schone lucht, is al langer een pleidooi hoorbaar voor meer groen in de stad. Tijdens de ‘intelligente lockdown’ zijn mensen voor de dagelijkse beweging en frisse neus meer aangewezen op hun woning en de directe omgeving. Het belang van een aantrekkelijke buitenruimte en de nabijheid van plantsoenen, parken en uitloopgebieden is daarmee bekender geworden bij een grotere groep mensen. Omarmt BV Nederland thuiswerken als blijvend alternatief, dan krijgt deze sterkere behoefte aan een kwalitatief hoogwaardige, groene woonomgeving een permanent karakter.

Verandering in mobiliteit
Met de versoepeling van de corona maatregelen gaan mensen zich geleidelijk aan weer meer verplaatsen. Het gebruik van trein, bus, tram en metro is daarbij als vervoermiddel echter minder aantrekkelijk geworden. De afgelopen jaren werd het openbaar vervoer als duurzame verplaatsingsvorm gepresenteerd. Nu worden mensen die een alternatief hebben, actief ontmoedigd om het collectief openbaar vervoer te nemen. Als we straks allemaal weer even mobiel worden als voordat corona toesloeg, heeft dat grote gevolgen voor ons toen al dichtgeslibde wegenstelsel.

Als het aangenaam weer is en tot een zekere reisafstand, vormen fiets en speed pedelec goede alternatieven. Blijft de angst voor besmetting in de samenleving domineren, dan zullen veel mensen voor de auto of motor als veilig vervoermiddel kiezen. Dit alles kan grote gevolgen hebben voor ons  wegenstelsel. Waar de auto het eerst aangewezen vervoermiddel is, neemt de druk op de schaarse openbare ruimte toe door een grotere vraag naar verkeers- en parkeerruimte. Dit geldt bijvoorbeeld  voor woonwijken, waar de auto van thuiswerkers vaker voor de deur blijft staan. Voor het behoud van een goede verblijfskwaliteit en prettige sfeer voor ontmoeting van mensen, is bij de herinrichting een zorgvuldige overweging op zijn plaats.

Ander gebruik publieke gebouwen
Corona heeft ook invloed op het gebruik van openbare gebouwen en publieke functies. Dat kan grotendeels tijdelijk zijn, maar het is de verwachting dat een aantal elementen een permanent karakter hebben. Met name in de sport- en cultuursector, bij stadions, evenementen, theaters, bioscopen en discotheken is de zoektocht naar een balans tussen de nieuwe veiligheid en een economisch gezond verdienmodel nog maar net begonnen. Vanuit deze sectoren neemt daardoor de druk op de buitenruimte eveneens toe.

De horeca is weer geopend, maar met de huidige toegestane bezetting draaien maar weinig ondernemingen rendabel. Een van de overlevingsstrategieën is het vergroten van terrassen in pleinen en straten van een voetgangersgebied. Het oppervlak aan vrije wandel- en verblijfsruimte verkleint daarmee. Een deel van de cafés en restaurants is helemaal gesloten gebleven, omdat zij hun kosten niet kunnen terugverdienen. Als de 1,5 meter restricties langer aanhouden, zullen deze cafés en restaurants definitief verdwijnen. De vanzelfsprekende aanwezigheid van horecavoorzieningen verdwijnt daarmee. Als gevolg daarvan klinkt er nu al een roep om meer openbare sanitaire voorzieningen in drukbezochte winkelstraten, langs fietsroutes, in parken en op stranden.

 

Alles komt samen in de openbare ruimte
In de zoektocht naar nieuwe verdienmodellen neemt het belang van de buitenruimte in al zijn veelzijdigheid toe. Om deze druk in goede banen te leiden is het aan beleidsmakers om de benodigde ruimte te bieden voor de functies, die daar in coronatijd om vragen. Dit geldt zowel voor het vastgoed als voor de buitenruimte.

Daarvoor zijn strategische keuzes nodig, in wat er past bij de identiteit en ambities van de betreffende locatie. Maak bijvoorbeeld de uitbreiding van terrassen in wijkcentra en winkelstraten mogelijk en sta in leegstaande panden meer verschillende functies toe, die ontmoeting en flexwerken faciliteren. Voor ontwerpers is het zaak de balans in de openbare ruimte te hervinden. Dat betekent meer plaats maken voor voetgangersroutes, verblijfskwaliteit en groenvoorzieningen, ondanks de toenemende druk van het autoverkeer. Als de stad zich zo aanpast, kunnen we blijvend beter omzien naar elkaar in een stad die ook tot in de verre toekomst houdbaar is.

Zo dragen we bij aan een goed functionerende samenleving in een prettige leefomgeving en past de Levende Stad zich aan, aan de veranderende behoeften van de mensen.

Elma van Beek (partner bij Bureau Maris, oprichter van de Levende Stad en lid van de werkgroep Duurzame Stedelijke Ontwikkeling van BNSP en NVTL)